Deze website maakt gebruik van Cookies

We gebruiken cookies om de website goed te laten functioneren, om functies voor social media te bieden en om ons websiteverkeer te analyseren. Meer informatie vindt u in de privacyverklaring.

Ik ga akkoord met het plaatsen van cookies voor:

Noodzakelijke functionaliteiten en anonieme statistieken

Erkenning van ouderschap binnen de EU

Het was vorige maand European Diversity Month. Een belangrijk thema hierbij was niet alleen de erkenning van formele relaties van paren van gelijk geslacht binnen Europa, maar ook de erkenning van verschillende vormen van ouderschap binnen de Europese Unie, in het bijzonder voor ‘regenbooggezinnen.’ In haar Staat van de Unie-toespraak in 2020 verklaarde Commissievoorzitter Ursula von der Leyen dat als onderdeel van de LGBTIQ-gelijkheidsstrategie er zal worden gestreefd naar wederzijdse erkenning van familierelaties in de EU. ‘Als je in het ene land ouder bent, ben je in elk land ouder’, zo stelde de Commissievoorzitter. Toch weerspiegelt deze pakkende uitspraak of oneliner nog zeker niet de realiteit rondom de erkenning van ouderschap binnen Europa. Eind vorig jaar heeft de Commissie echter wel een voorstel gepubliceerd over een nieuwe Europese verordening op dit terrein. Dit moet leiden tot meer eenvormigheid wat betreft de erkenning van ouderschap binnen de EU. In dit blog wordt op hoofdlijnen op dit voorstel ingegaan.

Juridisch ouderschap (‘afstamming’) gaat over de familieband tussen een kind en een (meerderjarig) persoon. Niet alleen aan de biologische werkelijkheid, maar ook aan intentioneel en sociaal ouderschap wordt in nationale rechtsstelsels belang gehecht bij de toekenning van juridisch ouderschap. Daarbij komt dat ieder land eigen regels heeft over hoe juridisch ouderschap ontstaat, ook de erkenning van in het buitenland ontstaan juridisch ouderschap wordt geregeld in internationaal privaatrechtelijke regels die per land verschillen. Dit kan van invloed zijn op het vrije verkeer van personen. Juridisch ouderschap is dan ook belangrijk en niet alleen voor het familierecht. Het ligt aan de basis van veel rechten en verplichtingen, o.a. verkrijging van nationaliteit, verblijfsrechten. In het familierecht heeft het gevolgen voor onder meer ouderlijk gezag, kinderalimentatie en erfopvolging.

Voorstel EU-verorderning over juridisch ouderschap

 Op 7 december 2022 heeft de Europese Commissie een voorstel gepubliceerd voor een nieuwe Europese verordening. Hierin komen de ‘klassieke’ vragen van het IPR aan bod, zoals de rechtsmacht, het toepasselijk recht en de erkenning van beslissingen en aanvaarding van authentieke akten op dit gebied. Verstrekkend is ook het voorstel van een Europese ouderschapsverklaring op grond waarvan ouderschap binnen de EU erkend moet gaan worden.

Volgens de Commissie is een meer uniforme toepassing van de regels op grond waarvan ouderschap binnen de EU wordt erkend en vastgesteld wenselijk. Er bestaan al Europese verordeningen die IPR-regels bevatten over gevolgen van het juridisch ouderschap, zoals het ouderlijk gezag, alimentatieverplichtingen en erfrecht die al in meer of mindere mate gereguleerd worden door het recht van de EU. Maar niet over het ontstaan en de erkenning van het ouderschap zelf binnen de EU.

Aanleiding voor dit voorstel vormde het arrest Pancharevo (C-490/20) van december 2021. Een Bulgaarse moeder en haar Spaanse partner hadden de Bulgaarse autoriteiten verzocht om een Bulgaars identiteitsdocument voor hun dochter. De Bulgaarse autoriteiten weigerden de Spaanse geboorteakte van het kind te erkennen omdat volgens het Bulgaarse recht een geboorteakte geen twee moeders kon vermelden. De verplichting voor een lidstaat om een identiteitskaart of een paspoort af te geven aan een kind dat volgens de geboorteakte van een andere lidstaat twee moeders heeft, is niet in strijd met de nationale identiteit van die lidstaat.  Volgens het Hof vormt dit ook geen risico voor de openbare orde van die lidstaat. Ook hoeft die verplichting nog niet te betekenen dat het ouderschap van personen van hetzelfde geslacht geregeld moet worden, aldus het Hof.

De Commissie lijkt met dit voorstel echter toch een stapje verder in de richting van unificatie of in elk geval harmonisering te willen gaan. Er wordt voorzien in gemeenschappelijke regels voor de erkenning van ouderschap dat ontstaan is in een andere lidstaat. Met een Europese ouderschapsverklaring zouden burgers in staat worden gesteld om op uniforme wijze hun ouderschap aan te tonen wanneer ze naar een andere lidstaat verhuizen. Daarin kunnen aanzienlijke verschillen bestaan als gevolg van verschillende regels voor de erkenning van (juridisch) ouderschap. Dit geldt in het bijzonder voor ouders van hetzelfde geslacht. De Commissie betoogt dat de weigering dit ouderschap te erkennen een belemmering vormt voor het vrije verkeer van personen. Dit legitimeert de behoefte aan harmonisatie en uniforme toepassing van de IPR-regels binnen de EU.

De kans dat het voorstel van de Commissie zoals het er nu ligt, het haalt is klein. Niet in de laatste plaats omdat alle Lidstaten ermee zullen moeten instemmen. Een groep Duitse rechtsgeleerden verbonden aan de Universiteit Marburg heeft reeds stevige inhoudelijke en praktische kanttekeningen geplaatst bij het huidige voorstel. Zo zou de burgerlijke stand van de lidstaten ‘overvraagd’ kunnen worden als er getoetst moet worden aan nieuwe Europese rechtsnormen.  Omdat problemen rondom de erkenning van in het buitenland ontstaan ouderschap zich in de meeste gevallen echter niet voordoen, gaat het volgens deze Duitse rechtsgeleerden te ver om van de burgerlijke stand te verwachten dat zij zich de toepassing van deze nieuwe normen eigen maken.  Voor (vrijwel) automatische erkenning van rechterlijke beslissingen op het gebied van afstamming binnen de EU is volgens hen wel meer te zeggen. Dit komt ten dele omdat rechters getrainde juristen zijn.

Wat de aanwijzing van het toepasselijk recht op het juridisch ouderschap betreft, wordt in het voorstel in beginsel aansluiting gezocht bij het recht van de gewone verblijfplaats van de geboortemoeder. Omdat die band na de geboorte kan afzwakken, bijvoorbeeld in het geval van draagmoederschap, is volgens de critici er echter ook iets voor te zeggen om uit te gaan van het recht van de lidstaat waar de betrokken ouders wonen op het moment van vaststelling van het ouderschap.

Het huidige voorstel van de Commissie bevat daarnaast voorstellen voor de erkenning van authentieke akten en beslissingen uit de EU waarin ouderschap is vastgesteld. Dergelijke authentieke documenten zouden automatisch erkend moeten worden als ze zijn opgesteld of geregistreerd in een daartoe bevoegde lidstaat tenzij de erkenning geweigerd kan worden op grond van de openbare orde. Dit is echter nog ‘toekomstmuziek.’

Huidige situatie (Nederlands IPR)

In Nederland wordt een afstammingsrelatie die buiten Nederland tot stand is gekomen en neergelegd in een akte of in een rechterlijke uitspraak erkend op grond van erkenningsregels. Bij het aanleggen van die ‘procedurele toets’ spelen factoren als de openbare orde, een behoorlijke rechtspleging en de bevoegdheid van de betrokken instantie een belangrijke rol. Als algemeen uitgangspunt geldt wel dat de Nederlandse ambtenaar vertrouwen toont dat de registratie van het rechtsfeit of de rechtshandeling die buiten Nederland hebben plaatsgevonden op de juiste wijze is geschied. ‘Tenzij.’ Tenzij, bijvoorbeeld wanneer de desbetreffende persoon betwist dat de afstammingsvraag door de buitenlandse instantie wel op de juiste wijze is bepaald of als de Nederlandse ambtenaar gerede twijfel heeft dat de buitenlandse regels door de buitenlandse instantie op juiste wijze zijn toegepast of als de Nederlandse ambtenaar gerede twijfel heeft dat de buitenlandse regels van internationaal privaatrecht in acht zijn genomen.

De ‘conflictenrechtelijke’ toets gaat in principe dan ook dieper. Ontstaat het ouderschap in Nederland en is daarbij een niet-Nederlandse ouder betrokken, dan moet soms diens nationale recht door de ambtenaar van de burgerlijke stand of rechter worden toegepast. Naar analogie worden deze regels ook toegepast wanneer de afstammingsrelatie in het buitenland is ontstaan, maar als er helemaal geen akte of rechterlijke uitspraak is waaruit dit blijkt. Dat komt bijvoorbeeld voor in landen als Ghana. De verwijzingsregels van het Nederlandse IPR zijn vrij complex en richten zich soms naar het nationale recht van de betrokkene.

‘Klem’ tussen verschillende rechtsstelsels

De nationaliteit van de moeder van het kind is, bijvoorbeeld, bepalend voor de vraag of zij zelf al dan niet toestemming moet geven tot erkenning (in Nederland) door de niet met haar gehuwde man die juridisch vader van het kind wil worden. Naar Frans recht is die toestemming bijvoorbeeld niet vereist. Het kan ook leiden tot een ‘kortsluiting’ van rechtsstelsels wanneer er verschillen bestaan tussen de betrokken stelsels. Zo was op de toestemming van een erkenning Pools recht van toepassing, maar kan de vader zich (anders dan in het Nederlandse recht) niet tot de rechter wenden voor vervangende toestemming. Omgekeerd kon de vader ook zijn vaderschap niet op eigen verzoek door de rechter vast laten stellen; dat mag alleen de moeder of het kind naar Nederlands recht. Naar Pools recht had dit laatste juist weer wel gekund. ‘Zo zit de man dus klem tussen aan de ene kant het Poolse recht dat op de toestemming van de vrouw van toepassing is en dat geen vervangende rechterlijke toestemming kent, en het Nederlandse recht dat hem niet de mogelijkheid geeft in Nederland gerechtelijke vaststelling van vaderschap te verzoeken.’

De Hoge Raad ziet in de toepassing van het Poolse recht, anders dan het Hof, niet zozeer strijd met de openbare orde, maar vindt wel dat dit wel strijd oplevert met artikel 8 EVRM (recht op gezinsleven). Bovendien was de toepassing van Nederlands recht te rechtvaardigen, omdat partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Dat laatste lijkt in lijn met de voorstellen van de Commissie.

Slot 

In het algemeen verlegt het voorstel van de Commissie ook de focus meer van de nationaliteit van ouder en kind als bepalend voor het toe te passen recht naar het recht van de gewone verblijfplaats van de ouders en/of het kind op het moment dat dit ouderschap ter discussie staat. Er wordt in het voorstel gestreefd naar meer harmonie en eenheid binnen de EU over de erkenning van het juridisch ouderschap. Het voorstel van de Commissie staat echter vrij letterlijk nog in de kinderschoenen en er zal ongetwijfeld nog veel over worden gedebatteerd en aan het voorstel worden gesleuteld. In de tussentijd reiken nationale IPR-regels oplossingen aan voor vragen over afstamming en de erkenning daarvan in andere lidstaten.

Heeft u vragen over de vaststelling of erkenning van juridisch ouderschap in Nederland, bijvoorbeeld omdat dit gevolgen heeft voor de nationaliteit van uw kind, dan kunt u contact opnemen met ons.

Neem contact op

Neem contact op

Aanmelding nieuwsbrief