Deze website maakt gebruik van Cookies

We gebruiken cookies om de website goed te laten functioneren, om functies voor social media te bieden en om ons websiteverkeer te analyseren. Meer informatie vindt u in de privacyverklaring.

Ik ga akkoord met het plaatsen van cookies voor:

Noodzakelijke functionaliteiten en anonieme statistieken
blog
nieuws
Door Elles Besselsen en Danielle Snaathorst

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 12 februari 2020 uitspraak gedaan in zes zaken van Nederlanders met de dubbele nationaliteit die hun Nederlandse nationaliteit verloren omdat zij langer dan tien jaar buiten Nederland en de Europese Unie verbleven en in die tijd hun Nederlandse paspoort niet hebben verlengd. De Afdeling stelt dat wanneer de gevolgen van het verlies uit het oogpunt van EU-recht onevenredig zijn, mensen met terugwerkende kracht weer Nederlander kunnen worden. Wat betekent dit in de praktijk?

Rijkswet op het Nederlanderschap

In de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) is bepaald dat het Nederlanderschap automatisch verloren gaat voor iemand die naast het Nederlanderschap ook een andere nationaliteit bezit en het hoofdverblijf voor een ononderbroken periode van 10 jaar buiten Nederland en/of de Europese Unie heeft. Dit verlies treedt niet in als deze persoon binnen die periode van 10 jaar een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap of een (verlengd) Nederlands reisdocument/identiteitskaart heeft verkregen. Het minderjarige kind kan het Nederlanderschap samen met de ouder verliezen.

De Nederlandse wetgever zegt met deze regels de effectieve band tussen de burgers en Nederland te willen waarborgen. Als iemand langdurig buiten Nederland of Europa verblijft en in die tijd geen Nederlands paspoort nodig had, zal wel geen effectieve band meer bestaan met Nederland, is de gedachte. In de praktijk blijkt echter dat veel mensen zich niet bewust zijn van deze verliesgrond. Zij komen er pas achter als het te laat is maar voelen zich nog altijd Nederlander.

Tot op heden werd bij een paspoortaanvraag of een procedure voor vaststelling van het Nederlanderschap in deze gevallen simpelweg vastgesteld dat de persoon in kwestie geen Nederlander meer was. In de zes zaken die bij de Afdeling voorlagen, betoogden de oud-Nederlanders dat het automatische verlies van hun Nederlandse nationaliteit in hun geval niet evenredig was en daarmee in strijd met het Europees recht. De zaak was aanleiding voor de Afdeling tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie.

Is automatisch verlies van het Nederlanderschap in strijd met Europees recht?

Op 12 maart 2019 antwoordde het Hof in het arrest Tjebbes dat het Unierecht in beginsel niet verbiedt dat de Nederlandse nationaliteitswetgeving voorziet in automatisch (om redenen van algemeen belang) verlies van de Nederlandse nationaliteit, ook al leidt dit eveneens tot verlies van het burgerschap van de Unie en de daarbij behorende rechten van vrij verkeer en verblijf binnen Europa.

Het Hof stelde echter ook dat het automatische verlies van deze Europese rechten niet onevenredig mag zijn. De nationale autoriteiten moeten de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap en het EU-burgerschap voor de situatie van elke betrokkene en hun eventuele gezinsleden onderzoeken.

Het oordeel van de Afdeling

De RWN biedt geen ruimte voor een dergelijke evenredigheidstoets en het herkrijgen van het Nederlanderschap met terugwerkende kracht. De Afdeling acht de RWN om die reden in strijd met het Unierecht. Een wetswijziging is nodig. De bevoegdheid van de minister om het Nederlanderschap terug te geven volgt rechtstreeks uit het Unierecht.

De Afdeling legt uit dat de minister bij een paspoortaanvraag (net als de burgerlijke rechter in de procedure voor de vaststelling van het Nederlanderschap) zelf het Nederlanderschap moet vaststellen en daarbij moet toetsen of het verlies van het Nederlanderschap geen onevenredige gevolgen ‘die in de sfeer van het Unierecht liggen’ met zich meebrengen.

Welke gevolgen van nationaliteitsverlies spelen een rol?

Voor die evenredigheidstoets zijn alleen de Unierechtelijke gevolgen relevant. De Afdeling wijst in navolging van het Hof naar de door het Handvest gewaarborgde rechten, zoals het recht op eerbiediging van het familie en gezinsleven, de uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van EU-lidstaten en de mogelijkheid daar beroepsactiviteiten te verrichten en het belang van het kind.
De gevolgen moeten zich bovendien concreet hebben voorgedaan of redelijk voorzienbaar zijn. De Afdeling vindt het bijvoorbeeld redelijk voorzienbaar dat een ex-Nederlander van bijna 18 jaar zou gaan studeren in een Europese lidstaat.

De Afdeling benadrukt dat de sterke verbondenheid die iemand voelt met Nederland, de contacten die hij onderhoudt met vrienden en familie in Nederland en de beheersing van de Nederlandse taal niet hoeven worden meegewogen. Deze gevolgen houden immers geen verband met het verlies van de Europese rechten.

Wat is het toetsmoment?

Het Hof heeft zich in het arrest Tjebbes niet expliciet uitgelaten over het beoordelingsmoment. De Afdeling stelt nu dat de minister bij zijn heroverweging moet kijken naar de Unierechtelijke gevolgen die van belang zijn op het moment van het verstrijken van de tienjarentermijn, die zich dus op dat moment daadwerkelijk manifesteerden of redelijkerwijze waren te voorzien. Gevolgen die na die tijd optreden, hoeven niet betrokken te worden in de beoordeling.

De Afdeling wil hiermee voorkomen dat alle gevolgen moeten worden onderzocht die zich in het leven van een ex-Nederlander hebben voorgedaan en dat mensen steeds opnieuw een aanvraag indienen om de evenredigheid van dat moment te laten toetsen. Dit gaat volgens de Afdeling ten koste van de rechtszekerheid.

En nu?

De minister van Buitenlandse Zaken zal in de komende vier maanden moeten onderzoeken, op grond van de stukken en informatie die de betrokkenen aanleveren, of in de zes zaken sprake is van onevenredige gevolgen van het nationaliteitsverlies uit het oogpunt van het EU-recht.
Als na het onderzoek van de minister blijkt dat het verlies van het EU-burgerschap onevenredig is, kunnen de betrokkenen het Nederlanderschap met terugwerkende kracht herkrijgen.
Ook zal de wetgever de RWN moeten aanpassen zodat ruimte wordt geboden voor een belangenafweging en het herkrijgen van het Nederlanderschap. Zoveel is duidelijk.

Maar er is ook nog veel onduidelijk. De Afdeling is bijvoorbeeld niet ingegaan op de relevantie van het feit dat iemand geen afstand kan doen van zijn andere nationaliteit of geen consulaire bescherming kan krijgen. Spelen deze elementen geen rol in de beoordeling?

Welke gevolgen moeten worden beoordeeld als het moment van verlies pas veel later duidelijk wordt, bijvoorbeeld omdat iemand op verkeerde gronden nog jaren een Nederlands paspoort heeft gekregen?

Ook niet duidelijk is hoe de Unierechtelijke gevolgen zich verhouden tot de effectieve band met Nederland. Heeft iemand die op het punt staat in Duitsland te gaan werken, meer recht om het Nederlanderschap te behouden dan een Nederlandssprekende bejaarde vrouw die terug wil naar haar moederland om daar haar laatste levensfase te doorlopen?

En wat betekent deze uitspraak voor mensen die het Nederlanderschap door verkrijging van een andere nationaliteit automatisch zijn verloren?

In de komende maanden en jaren zullen veel ex-Nederlanders zich tot de minister wenden en zal duidelijk worden hoe de evenredigheidstoets in de praktijk uitpakt.

Bent u het Nederlanderschap verloren vanwege de tienjarentermijn en ondervindt u hiervan onevenredige gevolgen? Neem dan contact op met Elles Besselsen, Hermie de Voer of Vera Kidjan.

aanmelden nieuwsbrief

dhr.    mw.

Ik ben op de hoogte van en akkoord met de privacyverklaring